Voor mijn afstudeerstage kwam ik terecht bij ICT.nl in Barendrecht. De opdracht klonk fascinerend: met embedded devices iets ontwikkelen waarmee we een persoon konden identificeren op basis van het hart.
Mijn stagebegeleider had een concreet voorstel: doe het op basis van bloeddruk en hartslag. “Meet die twee dingen,” zei hij, “en je weet wie het is.”
Ik dook erin. En dan bedoel ik niet “ik las een artikel.” Ik dook er écht in. Biologie. Scheikunde. Cardiologie. Fysiologie. Alles wat ik kon vinden over hoe het hart werkt, hoe bloeddruk gemeten wordt, hoe hartritme varieert, en of je daar een unieke vingerafdruk uit kon halen.
Het antwoord was nee.
Bloeddruk en hartslag zijn niet uniek genoeg om een persoon betrouwbaar te identificeren. Ze variëren te veel — stress, beweging, koffie, het tijdstip van de dag. Je kunt er geen vingerafdruk van maken.
”Bewijs het maar”
Ik ging terug naar mijn stagebegeleider met mijn conclusie. Zijn reactie was niet wat ik verwachte.
“Bewijs het maar.”
Niet “interessant, laten we kijken naar alternatieven.” Niet “waarom denk je dat.” Gewoon: bewijs het.
Dus dat deed ik.
Ik schreef een rapport van meer dan 100 pagina’s. Het bevatte alle benodigde voorkennis — anatomie van het hart, fysiologie van de bloedsomloop, meetprincipes van bloeddruk en hartslag, statistische analyse van variabiliteit — en een gestructureerde onderbouwing waarom deze twee variabelen onvoldoende waren voor biometrische identificatie.
Als alternatief stelde ik een kleine EKG-sensor voor — een elektrocardiogram op de pols. Dat geeft wél een uniek signaal, en was praktisch haalbaar voor de use case.
Eigenwijs
Mijn begeleider vond het niks.
Hij vond me eigenwijs. Hij vond dat het niet goed was dat ik tegen mijn superior in ging. Ik had moeten doen wat hij zei, niet een rapport schrijven over waarom hij ongelijk had.
Dit ging drie keer heen en weer. Drie keer. Over een periode van drie maanden.
Elke keer kwam ik met bewijs. Elke keer kreeg ik terug: “je bent eigenwijs.”
Na drie maanden had ik er genoeg van. Ik stopte met de stage.
Wat ik leerde
Dit was niet de les die ik wilde leren, maar het is de les die het meest is blijven hangen.
Gelijk hebben is niet hetzelfde als winnen. Ik had inhoudelijk gelijk — de fysiologie gaf me gelijk, het rapport gaf me gelijk, de alternatieve oplossing was beter. Maar ik won niet. Omdat het niet meer over de inhoud ging. Het ging over hiërarchie, over ego, over “zo doen we het hier.”
Wetenschap verliest van ego als ego niet wil luisteren. Je kunt nog zoveel bewijs verzamelen, maar als iemand niet openstaat om ongelijk te hebben, is elk feit een bedreiging in plaats van een inzicht.
Soms is weglopen het juiste antwoord. Drie maanden lang ben ik doorgegaan. Achteraf was twee maanden ook genoeg geweest. Er is een verschil tussen volhouden en jezelf vastdraaien in een situatie die niet gaat veranderen.
Je stagebegeleider kan het mis hebben. Dit klinkt vanzelfsprekend, maar als student ben je geprogrammeerd om te denken dat de begeleider het beter weet. Soms weet de begeleider het niet beter. Soms is de begeleider gewoon iemand met een mening en een functietitel.
Deze ervaring heeft me gevormd als engineer. Ik neem bewijs serieus. Ik verwacht van collega’s dat ze bewijs serieus nemen. En ik weet nu dat er momenten zijn waarop je moet stoppen met discussiëren en verder moet gaan — met of zonder de ander.
Geen diploma. Wel een les die meer waard was.